BOERDERIJ WOORDENLIJST

Rondom het paard
Pêretuug: Het gehele tuig voor de paarden.
Grèèl of Gareel: Trekjuk van het paard rond zijn hoofd.
Bosttuug: Trekriem rond het paard zijn borst. Werd dikwijls gebruikt als het paard aan schoft gewond was door het gareel.
Grèèlknippel: Houten gedeelte waar het gareel rond gemaakt is.
Buukrieme: De riem onder buik door.
Rikrieme: Riem over de rug.
Bril: Kopstuk met oogkleppen en bit.
Kopstik: Leder tuig voor over de kop.
Kinnekitting: Kettingtje dat aan het brilstuk voor rond de Kin.
Alter of halster: Halstertouw dat rond de kop gaat en waar je het paard mee vasthoudt als het niet opgetuigd is.
Stèrtrieme: Riem rond de staart.
Bosttuug: Tuig voor de borst in plaats van gareel voor trekken.
Voerliene: koord voor het voeren van een of meer paarden.
Enkele liene: Enkele lijn die alleen het linker paard voert.
Dubbele liene: Lijn die ook aan het rechtse paard verbonden is.
Uutsom: Commando voor rechts voor paarden.
Eêrom: Commando voor links voor paarden.
Andpèrd: Linker paard dat commandos ontvangt.
Veurepèrd: Linker paard dat met ploegen in de vore loopt.
Roepèrd: Rechter paard door het linker paard opzij geduwd of getrokken wordt.
Middelpèrd: Het middelste paard van een driespan.
Strienk: String van hennep touw waar de paarden trekken.
Bassen: Lederen kokers waar de string doorloopt om de flanken van het paard te beschermen.
Amerschien: Houten balkje waar aan de stringen vast zitten met een haak eraan om wagen of kar te trekken.
Harnas: Trekhout voor twee paarden.
Roskam: Kam voor het kammen van het paard.
Loeie: Leder gevlochten koord dat aan de voerline door de katrol aan het gareel liep.
Paardestal: Stal waar de paarden naast elkaar stonden.
Sliet: Box waar de paarden instaan 2 in een sliet.
Restèèl: Rek boven de voerbak waar het hooi uit gegeten wordt.
Miengelbak: Houten bak waar kaf en ander voer in gemengd werd en bewaard.
Achterdam: Bestrate pad in de stal achter de slieten.
Grèèlpinne: Houten pin soort kapstok voor de garelen.
Kafzolder: Zolder boven paardenstal waar het kaf bewaard werd.
Bovendeur en onderdeur: Staldeuren waren altijd uit twee delen.
Voerbak: voederbak voor de paarden.
Rondom de Koe
Koeienstal: Daar stonden de koeien allemaal naast elkaar met voren een ketting om vast te zetten.
Springschort: Lap met band om het lijf van de jonge stier zodat hij geen jonge vaarzen in de wei kon bespringen en bevruchten. De lap hing dan voor zijn geslachtsdeel.
Bochtstraete: Een straatje dat langs de staldeuren liep en aan de andere kant de mestbocht.
De boerenschuur
Mèndeuren: Grote deuren in de schuur.
Clinkêt: Klein deurtje in de grote deuren waar je over moest stappen, dus onderkant was ongeveer 50 cm boven de grond.
Wàgen uus: Stuk van de schuur waar de wagens en karren in stonden meestal op het kopeinde van de muur met open latten deuren voor de wind.
Dorsvloer of deel: Ruimte direct achter de mendeuren. Werd vroeger gebruikt voor dorsen met de vlegel.
Vlui: Vlegel werd gebruikt voor het dorsen. Werd gemaakt van mispelhout en kattendarm.
Wienkel: Ruimte aan weerskanten van de dorsvloer voor het opslaan van de oogst.
Wienkelpui: Afscheidingswand tussen dorsvloer en de winkel.
De stoepe: Balken die over de dorsvloer lagen waar opgestaan werd voor het lossen van de wagens, wanneer het hoog werd.
Hànebalke: Het hoogste balkje in de nok van de schuur.
Piezel: Meestal zolder waar het graan bewaard werd.
Gereedschap en werktuigen
Molbord: Grote houten schop die door tweepaarden getrokken werd en gebruikt om hopen grond te verplaatsen. Houten eegde: Egge van hout ook met houten tanden.
Windmeulen: Apparaat waar door middel van handkracht wind gemaakt werd om zo het kaf van het koren te scheiden.
Mènladder: Soort ladder die van voren recht op de voorladderwagen gezet werd om de oogst binnen te halen.
Laaihouten: Houten palen die in de lengte werden gelegd van de boerenwagen ook om de oogst binnen te halen.
Tronkmanskassen: Extra verhoging op de zijkanten van de wagen om bieten te vervoeren, dus eigenlijk om het volume van de wagen te vergroten.
De Rèèp: Dik touw dat gebruikt werd om de oogst bij elkaar te houden op de wagen.
Wàgenlichter: Apparaat om boerenwagens op te lichten om een wiel te vervangen en om te smeren.
Wagenvet: Speciaal vet voor de boerenwagens te smeren.
Zelfbinder: Machine waar de oogst gerst, tarwe en haver, paardebonen enz werden gemaaid en in bossen (schoven) werden verpakt.
Langwagen: Gedeelte dat de achterwielen van een boerenwagen verbindt met het voorste deel.
Sleper: Platte houten schot om grond fijn te maken en het land zaaiklaar te maken.
Rolblok: Grote rol om na het zaaien de grond vast te leggen.
Erpelrooier: Machine voor het uitrijden van de aardappels.
Steenmande: Voor het oprapen van de aardappels.
Erpelsorteerder: Voor het sorteren op grote van de aardappelen.
Erpelhorre: Houten rek waar de rotte aardappelen eruit gehaald worden.
Zaaiklèèd: Kleed dat gedragen werd door de arbeider om te zaaien vroeger om granen te zaaien, later voor de kunstmest.
Zaaibekken: Bekken dat voor de buik gedragen werd om kunstmest te zaaien.
Saksploeg: Soort van ploeg.
Wentelploeg: Ploeg die op het eind omgekeerd kon worden en je in dezelfde voor terug kon komen.
Twee scharre of drie scharre ploeg: Je kon dan twee of drie ploegsneden tegelijk twee of drie sneden ploegen.
Schòòf: Bos met tarwe, gerst, haver, enz.
Schrank: Bos getrokken vlas.
Stuuk: Ongeveer tien schoven tegen elkaar gezet op het land om te drogen.
Vlasschelf: Ronde hoop met vlasschranken om op het land droog te blijven
Veurènde: Op beide einden van het land. Het einde van de voren.
Ruiters: Driepoot van aan elkaar gemaakte staken voor op het land het hooi en de erwten op te bewaren tot het naar de schuur gebracht of als het droog genoeg was op het land te dorsen. Ook spinazie werd geruiterd soms ook bonen.
Bonentol: Staak in het land waar de bonen op getast werden om te drogen
Gère: Schuine stukken in het land.
Rèè: Klein slootje vroeger tussen de stukken land toen waren de kavels veel kleiner. Is door herverkaveling anders geworden.
Waoterbak: Drinkbak [trog] om de dieren uit te laten drinken.
Aerpelveure: Groeven waar de aardappels in werden geplant
Kernuus: Karnhuis. Waar de melk ontroomd werd en waarvan de room ook de boter gekarnd werd zodat er boter en karnemelk ontstond
Blokstoel: Krukje met 3 poten voor het melken.
Erpelput: De hoop waar de aardappelen op na het rooien op het veurende werden gestort en met riet of stro en dan met grond werd afgedekt en in de nawinter of in het vroege voorjaar werden verwerkt voor de handel
Astrekker: Vroeger had elke boerderij een bakhuis dat van de andere gebouwen losstond wegens brandgevaar. Men bakte er brood, men rookte er ook hespen of spek. Het deeg werd gekneed in de trog of op het (deeg)blok. De gevormde deegbroden werden in wissen of strooien broodmandjes (broodbaansten) of een broodmoelde gelegd om te laten opkomen. De oven werd opgewarmd met houtbondels die houtskool werden na het verbranden. Vooraleer het brood met een schietpaal (ovenpaal, ovenstaak) in de oven werd geschoten, rakelde men eerst de houtskool met een astrekker uit de oven in de doofpot. Het ovengewelf was witgloeiend en bakkensklaar.
Baanst: De spiraalsgewijs gevlochten stromand met gekloven bramen wordt als voorraadmand aangewend.
Dorsvlegel: Een staf uit warm hout gemaakt waaraan een korte dikke knuppel door een lederen kap en lederen riempjes verbonden was. Met de vlegel in de hand sloeg men de graankorrels uit de aren (dorsen). Daarna ging men de graankorrels wannen (het kaf van het koren scheiden). Daarvoor gebruikte men de wanmolen. Deze bestaat uit windplanken die met een draaiende beweging wind veroorzaken. Met die luchtstroom werd het kaf van het koren gescheiden. Indien men over geen wanmolen beschikte, gebruikte men een wan, een gevlochten, ovalen, schelpvormige platte mand. Met de handen aan de twee oren vasthoudend en met de rug schuin naar de wind, gooit men het graan opwaarts, zodat het lichtere kaf kan wegvliegen door de wind en het zwaardere graan in de baanst valt.
Eg of eegde: Deze bestaat uit een houten of ijzeren raam waar in schuine richting houten of ijzeren pinnen zijn gestoken om de aardkluiten te verbrijzelen en de grond gereed te leggen voor zaaien of te planten, en om het gezaaide zaad in de akker in te eggen (in te dekken).
Gaffel: Is gevormd uit een gaffelvormige (tweearmige) tak van een boom, is tweetandig en wordt gebruikt als (hooi)vork.
Granen
Baekten: Is gemalen meel; masteluin is een mengsel van tarwe en rogge; zwijnaarde is 2/3 gerst of haver gemengd met 1/3 boekweit of bonen.
Open haard: Op een boerderij was de keuken de woonkamer, leefkamer. Centraal stond de levensgrote open haard en de grote zetelstoel met armleuningen en hoge rug, de ereplaats van de baas. Het voornaamste object van het haardgerei was de hangel waaraan de pot of ketel gehangen werd. Onderaan lag het brandrooster waarop het brandend hout lag. Op de schouwbalk hangt het gestropt schouwkleed dat dient om te beletten dat de rook in de huiskamer komt en tevens als siermotief geldt. In de haard stond het zware wafelijzer om grote boerenwafels te bakken.
(Beste) kamer: Dit is de mooiste plaats in het huis. Deze plaats werd amper betreden. Belangrijk bezoek zoals de heer van de Heerlijkheid of de pastoor, werden hier ontvangen. De boer zat er om aan zijn paperassen te werken die in het schrijfkastje of lessenaar lagen. Een belangrijk bergmeubel was de huiskoffer met opklapbaar deksel, meestal meegebracht door de bruid met haar uitzet. De kleerkast bergt de beste klederen die enkel 's zondags eruit werden gehaald.
Karne: De karne werd gebruikt om uit room, boter en karnemelk te verkrijgen (karnen).
Komfoor: 's Zomers kookte men wel eens op een ijzeren komfoortje. Een toestelletje waarin gloeiende houtskool smeulde. Schapra: Een proviandkast waarin brood, smout en andere eetwaren werden gezet.
Schotels: Borden of schotels waren vervaardigd uit ijzer, tin of grof beschilderd aardewerk (geleierd).
Slaapkamer: Indien er een aparte kamer voorzien was, sliepen de ouders in een bedstee. Het bed was meestal te groot voor een persoon en te klein voor twee, en toch sliep het boerenpaar daarin. Daarom werd het type bed de twijfelaar genoemd. Indien geen kamer voorzien was sliepen de ouders in een bedkoets (steekoets, slaapkoets, beddekast), een soort kooi met deurtjes of gordijnen afgesloten en stond meestal in de keuken of in de beste kamer. Van de kinderen sliepen de jongens op zolder, de meisjes uit veiligheid bij de ouders of in een kamer naast de ouders. Als matras was er gewoonlijk een kafzak, wie het zich kon veroorloven een zak met pluimen.
Snijpaard: Op ijzergetande rollen wordt stro aangevoerd. Boogvormige messen aan het groot wiel snijden het stro in korte stukjes tot dierenvoedsel.
Vlas: Vlas behoort tot de edele planten, gekweekt voor vezel en het lijnzaad. Van alle gewassen bezit vlas de fijnste vezel, die aan de buitenkant van de vlasstengel rond het hout met pectine vastgelijmd is. Door het roten (laten rotten in water) wordt de gomachtige stof opgelost. Vooraleer te roten werden de zaadbolletjes of lijnzaad afgeslagen (geboot) met de boothamer, waardoor het zaad uit de omhulsels sprong. Het lijnzaad werd gezuiverd in een zeef (zift) en tot lijnolie verwerkt. Lijnolie wordt gebruikt om drukinkt, linoleum, zeep, olieverf, te maken. Met de braakhamer waarin groeven zijn, brak men de stengel, wat het zwingelen vergemakkelijkte. Met de zwingel werd de houtachtige kern uit de vlasstengel geslagen. Het gezwingeld vlas werd door de hekel gehaald om alle onzuiverheden te verwijderen. Kloek vlas is draadvlas waarvan lijnwaad geweven werd. Het mindere vlas diende voor het maken van jutezakken en vlaskoorden. Het spinnen van vlasdraad gebeurde met een spinnewiel, waarbij een aantal losse vezels door een in elkaar draaiende beweging tot een draad worden verwerkt. De spinhekel bestond uit honderden fijne ijzeren of koperen loodrechte naalden, dicht tegenaan op een vierkant bakje, gebruikt door de spinsters om het garen erdoor te trekken en aldus te zuiveren. De haspel was een gestel van door latten verbonden kruisspaken of schijven dat ronddraaien kan en dient om garen of sajette van de klossen waarop het gesponnen is op te winden tot strengen.
Voutekamer: Boven de kelder ligt de hoogkamer of voutekamer. Deze kamer lag een stuk hoger dan de rest van de kamers.
Wagenpark
Boerenwàgen: Gewone boerenw├ágen met spaakwielen en met ijzerbeslag.
Driewielskarre: Kar met drie wielen die kon kippen.
Wagen: Het voorstel met twee kleinere voorwielen en draaistel is verbonden met het achterstel (met twee grotere wielen) door de langwagen (wagenboom). De laadbak (kast) ligt er boven op. Op de eerste plaats was de wagen bestemd om tot bedrijfsvoertuig dienst te doen. Het boerengezin ging met vierwielwagen, met wijte (wit zeil, huifsel) over de hoepels van de bak gespannen, naar de kermis, begrafenis, huwelijk, uitstap.
Beerkar: de alekarteel, de gierkar, de strontkar, de zeekstuk, de zeekkar was een kar voorzien van een ronde beerton. De strontboer die beer in de stad kocht, proefde vooraf de deugdelijkheid, dichtheid, kleur en smaak. Daartoe stak hij een stok in de beerput en wreef die af met zijn vinger, die hij in de mond aflikte. Hoe zouter de mest smaakte, hoe hoger zijn waarde.
Kruiwagen: (korte wagen, pupegale, kordewagen) was een klein vervoermiddel die gebruikt werd om een zak aardappelen te vervoeren. Slede: een voertuig rustend op twee evenwijdige, metalen of met metaal beslagen ribben, dat glijdend wordt voortbewogen. Voor de tweede wereldoorlog waren de meeste wegen verharde aardewegen en verkeerden in slechte staat. Wanneer het sneeuwde of ijzelde, waren er geen strooidiensten om de wegen vrij te maken. Daarom werd als alternatief de slede gebruikt als vervoermiddel.
Sjees: Twee wielige koets. Het meest in gebruik.
Jan Plezier: Vierwielige koets.
Landdouwer: Vierwielige koets met bok met kap die open kon.